Heel Nederland aan de Kroos’, luidt de titel van een artikel in het blad Landleven, juli 2018. “In de jaren zestig stond er op bijna ieder erf in het Land van Maas en Waal een Krozenboom. Maar in de fruitteelt legde deze kerspruim het af tegen appel, kers, peer en pruim en daarmee verdween de bijzondere vrucht bijna uit Nederland. De enig overgebleven Krozenboomgaard, die van Thijs Banken in Boven-Leeuwen, is nu de genenbank voor een nieuwe generatie krozenbomen. Thijs voorziet een grootste toekomst: “Straks staat de Kroos weer in heel Nederland.” Het is een mooi verhaal met onbenoemde verrassende kanten .

Het Land van Maas en Waal is een bijzonder land. Het lijkt op de Betuwe maar is toch anders. Toen de tabaksteelt kort na 1600 Nederlands vruchtbare zavelgronden en lichte kleigronden veroverde, deed het Land van Maas en Waal ook mee. Maar het Land van Maas en Waal haakte vroegtijdig af. Ook bij de omschakeling van tabak naar fruit deed het Land van Maas en Waal mee. Maar ook in de fruitteelt was het Land van Maas en Waal een soort van buitenbeentje. In september 2014 verscheen er een uiterst onderhoudelijk boekje genaamd “Maos en Waols fruitbuukske”, uitgegeven door de Werkgroep Boederij en Laendschap van de Bewaorsmiense. Het boekje bevat meerdere bijlagen. In de eerste bijlagen staan de fruitvariëteiten die werden aangetroffen in 1918. Nu is het bekend dat in die tijd, voor de oprichting van de Nederlandsche Algemene Keuringsdienst (NAK) in 1932 de naamgeving in fruitland, internationaal, een rommeltje was. Lokale namen werden gebruikt als synoniem. Maar vruchten die op elkaar leken, konden in verschillende dorpen met dezelfde naam worden aangeduid. Ondanks alle te plaatsen kanttekeningen is de gepresenteerde informatie bijzonder waardevol. Het geeft een concrete inkijk in de fruitteelt van 100 jaar terug.

Men onderscheidt in die tijd 12 gemeenten in het land van Maas en Waal. In alle gemeenten is de appel het meest populair, gevolgd door de peer. Pruimen zijn slechts in een viertal gemeenten populair: Beuningen, Ewijk, Druten en Wamel. De Krozenboomgaard van Thijs Banken in Boven-Leeuwen valt onder gemeente Wamel, vlakbij Druten. In de lijst van 1918 worden bij Wamel geen pruimensoorten vermeld, maar wel bij Druten: de Varkenspruim, de Kwets en de Engelse Kroos. Bij Beuningen wordt een aantal pruimenrassen genoemd, al is het niet altijd duidelijk of het om pruimen of kersen gaat. Genoemd worden: Dubbele Witte (mogelijk de pruim Dubbele Boeren Witte), Reine Claude (destijds waren de Reine Claude d’Oullins, RC d’Althan en RC Verte populair) en de Eldensche Blauwe. Je kunt zeggen dat het vooral de klassieke pruimen zijn die geteeld worden met twee opvallende namen in het lijstje: de Engelse Kroos en de Eldensche Blauwe. De werkgroep heeft een oproep gedaan onder oudere bewoners, om te vertellen welke rassen allemaal voorkwamen in het land van Maas en Waal. Deze lijst bevat 27 namen van pruimen. De lijst kent zeer klassieke tot meer recentere pruimenrassen. Het geheugen van de bevraagden gaat terug naar tijden voor en na de oorlog. Opvallende namen zijn de Balgôyse Blauwe, de Varkenspruim, de Mirabel, de Vroege Tolse en uiteraard de Eldense Blauwe. In een toelichting staat vermeld dat de Balgôyse Blauwe een zure smaak had en waarschijnlijk door deze smaak verloren is gegaan. Het is een voor de hand liggende verklaring die misschien iets te veel voor de hand ligt. Ook van de Eldense Blauwe werd in 1947 door de Heidemij gesteld dat deze pruim zuur was, met een wrange schil. Maar alles valt en staat met de pluktijd. De Balgôyse Blauwe moet wel heel erg zuur geweest zijn. Het is ook niet ondenkbaar dat het de lokale benaming was voor de Eldense Blauwe, zoals men in de omgeving van Eldik de Eldense Blauwe consequent Eldikse Blauwe noemt (ook nu  nog). Of dat het de lokale benaming was voor een andere blauwe pruim. Zoals de zeer oude Franse pruim Blue Imperatrice die bijvoorbeeld in de omgeving van Renswoude de ‘Blauwe van Renswoude’ werd genoemd.

In de lijst staat ook de kroos genoemd. Interessant is wat daarbij vermeld wordt: “De Engelse Kroos kwam in 1918 in de gemeente Wamel nog voor als boomgaard van 3 hectare groot. De meeste kroos werd door de vroege bloei en daardoor regelmatige terugkerende vorstschade in die tijd echter al gerooid of overgeënt met pruim. Op de meeste erven in het Land van Maas en Waal was dit ras echter te vinden voor eigen gebruik. Vooral voor inmaak en jam.” Vervolgens wordt een opsomming gegeven van variëteiten: Bleke kroos, Gele Kroos, Rode Kroos, Zwarte Kroos en vernoemd naar de vindplaats: Daatje van de Wertkroos.

De werkgroep heeft ook een lijst van aanbevolen pruimenrassen in 1918 kunnen samenstellen. Bijzonder genoeg staat de Eldensche Blauwe als eerste genoemd, gevolgd door de Belle de Louvain, de Reine Victoria en de Reine Claude. Tevreden waren de boomgaardbezitters over de soorten: Enkele en Dubbele Boerenwitte, Catharinapruim, Washington en Abrikoospruim. Verder voorkomende pruimensoorten zijn: Engelsche Kroosjes, Kwetsen en Varkenspruimen. Geconcludeerd mag worden dat de Krozen in het Land van Maas en Waal al heel lang voor komen, en het inderdaad hebben afgelegd tegen de ‘echte’ pruimen. Uit de gegevens is af te leiden dat die ommekeer in 1918 al gaande is. De werkgroep maakt ook melding van de Krozenboomgaard van Thijs Banken die, zo meldt de werkgroep, Krozen veredelt en steeds op zoek is naar nog lekkerder soorten Krozen. Opvallend is trouwens het aantal tuinbouwscholen in het Land van Maas en Waal. Zo is daar land- en tuinbouw(winter)school Linnaeus in Hees, een lagere land- en tuinbouwschool in Boven-Leeuwen en in Beuningen. Dankzij verbeterde watering door moderne bemaling veranderde begin van de 20e eeuw de rassenkeuze. Zo verdwenen in 1918 de veel geteelde zwarte bessen. De Kroos kwam van oudsher (lees: vóór 1918) al veel voor in het westen van de streek, aan de Waalkant. Onder de Kroos wordt hier verstaan de wilde kerspruim. Door de vroege bloei, soms al in februari, werd deze fruitsoort vaak nabij waterkanten geplant (sloten, rivieren, kolken/wielen/dijkdoorbraken). Door de warmteafgifte van het relatief warme water kon de vorstschade getemperd worden. Sloten en kolken genoeg in het Land van Maas en Waal. Opmerkelijk genoeg produceerde jamfabriek ‘De Betuwe’ van Flipje tot in de jaren zestig van de vorige eeuw nog Krozenjam.

Deze Kroos, zo vermeldt het boekje, wordt zelfs naar Engeland geëxporteerd. De Krozen worden ook wel kerspruimen of Myrobalanen genoemd, en komen van oorsprong voor in een zeer uitgestrekt gebied: van Zuidwest Siberië over Centraal Azië, de Kaukasus tot in Klein-Azië. Meer dan 2000 jaar geleden werd deze pruim ingevoerd in Italië en Griekenland. Vervolgens zouden de Romeinen deze kerspruim naar Centraal Europa hebben gebracht, aldus het boekje. De Turken hebben uit de wildvormen enkele geselecteerd en in 1955 in Duitsland in de handel gebracht. In 1880 werd er een roodbladige ontdekt in de tuin van de Sjah van Perzië die vervolgens in Frankrijk in grote getalen werden vermeerderd. De vermeerderingsmethode wordt niet vermeld. Maar waarschijnlijk is er eerst een boom geënt met de rode twijg en zijn vervolgens jonge scheuten afgelegd, zodat de roodbladige op eigen wortel stonden. Het boekje vermeldt dat de vrucht in het Land van Maas en Waal erg populair was. De vruchten die tussen de 25 en 50 mm groot zijn, kennen een enorme variatie in kleur en vorm, van geel tot oranje, rood, donkerrood, violet tot zwart. De pit zit veelal niet los en de smaak is aangenaam zoet. Over de Krozenboomgaard in Boven-Leeuwen meldt het boekje dat er zaailingen worden gewonnen, voor de verkoop.

Het is een interessant gegeven dat in het Land van Maas en Waal de Krozen zo populair waren. Niet alleen in de tijd dat bijvoorbeeld in de Betuwe volop pruimen geteeld worden (begin 20e eeuw), maar ook daarvoor al. Krozen staan misschien al eind 19e eeuw in het Land van Maas en Waal. Even opmerkelijk is de populariteit van de Catharinapruim, de Enkele Boerenwitte en de Varkenspruim. De Catharinapruim is een zeer oud Frans ras dat volgens de Vrienden van het Oude fruit zeer laat rijpt, vooral geschikt is als keukenpruim, flink gedund moet worden en op beschutte plaatsen dient te staan. Dan blijven de pruimen hangen en kunnen ze gebruikt worden als droogpruim. Voor de Enkele Boerenwitte en de Varkenspruim geldt eigenlijk hetzelfde. Het zijn pruimen die vooral geschikt zijn voor verwerking. Maar bovenal zijn ze heel geschikt gebleken als onderstam. Net als de Myrobolan, oftewel de Kroos. Het is mogelijk dat het Land van Maas en Waal een bijzondere plek in heeft genomen in de Nederlande fruitteelt, in de 19e eeuw. Daarover meer in deel 2.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *